Menige huisruzie is al gevoerd over het duizend-dingen-doekje. Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd. Iedereen moet immers wel eens iets op- of aflappen. Dat is het punt niet. Maar wat dan wel? Dat het doekje bijvoorbeeld na gebruik niet zeiknat op het aanrecht gesmeten zou mogen worden. Terwijl dat best kan: bij een volgend gebruik spoel je het immers altijd even uit. Of dat je er niets mee van de grond zou mogen aflappen omdat dat vies zou zijn. Natuurlijk is dat vies, anders hoefde er niet schoongemaakt te worden. Maar het grootste twistpunt is ongetwijfeld dat die doekjes op enig moment duizendmaal gebruikt zijn. De kwestie is: wanneer? Hoelang kun je een duizend-dingen-doekje gebruiken?
Duizend keer, begrijpt iedere man die logisch nadenkt. Duizend keer, dat komt neer op een slordige drie jaar, uitgaande van eenmaal daags lappen. Vaker zou overdreven zijn. En inderdaad: na drie jaar is zo’n lapje inderdaad tot op de draad versleten. Het is niet langer in staat ook maar één druppel vocht op te nemen. Tijd voor een nieuw doekje. Dat heeft de doekjesfabrikant slim bekeken.
Tot zover de logica.
Vraag een willekeurige vrouw hoelang een vaatdoekje gebruikt mag worden. Hoogstens drie dagen, anders wordt het vies, vindt zij. Nu is genoegzaam bekend dat mannen iets viezer zijn dan vrouwen, maar drie dagen? Dat kan niet kloppen.
Zeker niet als je bedenkt dat verscheidene wetenschappers hebben geconstateerd dat het aantal huidziekten en allergieën de laatste jaren sterk stijgt. Daarvoor worden uiteenlopende oorzaken genoemd. Onder andere dat de mens door de steeds striktere hygiëneregels niet langer in staat is op natuurlijke wijze voldoende weerstand op te bouwen. De moderne Westerse mens komt niet genoeg in aanraking met vieze vaatdoekjes. Oftewel: de Westerse mens wordt in zijn voortbestaan bedreigd door de smetvrezende vrouw.
Waarom doen ze dat? Waarom grijpt ze zo gemeen in op de natuurlijke loop der dingen?
Omdat ze dat lekker vindt. Zet vier vrouwen bij elkaar in een kamer, serveer thee en voor je het weet, hoor je uitspraken als ‘lekker fris’, ‘heerlijk de boel aan kant’ en ‘fijn een beetje poetsen’. Ongetwijfeld een rudimentaire eigenschap uit de steentijd – de tijd vóór de uitvinding van swiffer, glassex en wc-eend. Toen viel of stond een lang en vruchtbaar leven bij een vrouw die goed kon poetsen met uitsluitend een bos takken en een duizend-dingen-zeemleer van berenhuid. Een holbewonergezin zonder enthousiast boenende huismoeder raakte al snel flink aan de diaree – indertijd een ongeneselijke ziekte waaraan menig holbewoner is bezweken. Dezelfde poetsvrouwen die het voorbestaan van de soort toen waarborgden vormen nu onze grootste bedreiging.
Emile Proper 1.10.2007
Deze column verscheen ook in het tijdschrift Men’s Health